Ga naar de inhoudsopgave

Slag um de Pil

VURHALEN

Ik zag ergens iets voorbij komen over 'n stuk dat in 'n oud Peelbelang stond over "de slag om de Peel" dat werd geschreven rond 1948/1949, maar het was nogal onduidelijk en het is bijna niet te lezen. Toch vond ik het wel interessant om dit hier te plaatsen. Piet van der Zanden, de schrijver, had vanalles verzameld samen met 'n vriend van hem en wilde dat iedere week in het Peelbelang met de mensen delen. Ik heb de Peelbelang uitgaves gecopieerd en vergroot en wat duidelijker gemaakt voor mezelf zodat ik het verhaal zelf kan typen en dat het voor iedereen leesbaar is. Ik hou de delen precies zoals Piet dat ook deed.

SCOLL MAAR NAAR ONDEREN
NIEUWE DELEN WORDEN ONDERAAN BIJGEPLAATST



DEEL 1


In de loop van 1945 hebben Piet van der Zanden en zijn vriend Koos Wasser zoveel mogelijk gegevens verzameld over wat ze toen noemden "de slag om de Peel". Ze wilden hier 'n boekje van uitbrengen maar door diverse omstandigheden gebeurde dit niet. Natuurlijk is het voor Piet onmogelijk om alles te beschrijven wat er toen gebeurde in Asten, Someren, Lierop, Ommel, Neerkant, Liessel en Vlierden gebeurd is. Ze konden ook niet uitvoerig vertellen over elk detail omdat de betrouwbare gegevens niet altijd beschikbaar waren. Hoofdzaak van Piet was om de feiten juist weer te geven. We weten dat veel mensen in de tweede wereldoorlog in de Peel lange tijd aan hun radio hebben gezeten en ze hoorden dan namen als: El Alamein, Dnjepropetrowsk, Pearl Harbour, Guam, Stalingrad en nog veel meer van dir soort plaatsen en die namen bleven ze niet altijd onthouden maar wat er in de Peel gebeurde werd door hen wel onthouden want daar waren ze persoonlijk bij betrokken, het waren hun eigen huizen die verwoest of beschadigd waren, het waren hun eigen familieleden, bekenden of vrienden die getroffen werden door granaten en bommen of die gedood werden door mijnen. Het was hun dorp dat geschonden hun kind of vader, zoon of dochter die verminkt werd. Zoiets vergeet je niet. Piet kan natuurlijk niet ieder uur en datum van elke gebeurtenis noemen want toen leefden de mensen eigenlijk tijdloos zonder begrip van tijd etc. Wat hij wil vertellen is eigenlijk voor die mensen van toen geen echt nieuws maar hij wil 'n afgerond overzicht geven en de gebeurtenissen plaatsen in het kader van de grote geheel der bevrijding van Nederland en het verslaan van de Duitse legers. Nu het nageslacht de geschiedenis kan lezen van Wereldoorlog II weet men ook dat het gebeuren in de Peel geen afzonderlijke vermeldingen heeft in de bestaande boeken maar toch was die slag van 'n hevigheid die lange tijd niet meer was voorgekomen. Voor Nederland zal deze slag altijd zijn aparte betekenis behouden omdat hij de bevrijding van geheel Brabant en Noord Limburg inluidde. Vervolgens zegt Piet hierover: Wie zou bij de vlotte opmars van de geallieerden door Noord Frankrijk en Belgie gedacht hebben dat de moerassen van de Peel het terrein zouden worden van een zo bloedige strijd. De Duitsers waren er in 1940 handig omheen getrokken. Waarom zouden de Engelsen minder handig zijn? Helaas, de Duitsers waren niet van plan zich zo gauw gewonnen te geven en zij nestelden zich stevig op de moergronden waarop volgens algemene opvatting met zware wapens als tanks e.d. niet zou kunnen worden gevochten. Bovendien hadden zij Venlo als een stevige steun in de rug. De tankbeweging, door hun in 1940 toegepast werd in groter formaat ook door de Engelsen uitgevoerd maar deze moesten heel wat materiaal en mensen in de strijd werpen om de Duitsers te kunnen verdrijven. Het bruggenhoofd der Peel was eind Oktober 1944 voor de Duitsers nog de basis van waaruit zij een stevie tegenaanval deden die Neerkant en Liessel het slachtoffer deden worden en die Deurne en zelfs Helmond nog gevaar deden oplopen. In Asten heeft men toen gelukkig het gevaar niet zo gekend, al verdwenen heel wat mensen uit voorzorg over de Zuidwillemsvaart. In de slag om de Peel zijn drie fasen... de eerste brachten de geallieerden in de Westelijke rand van de Peel, de tweede werd gevormd door de tegenaanval van de Duitsers rond 28 Oktober 1944 en de derde bestond uit de definitieve uitdrijving van de Duitsers. Piet dacht bij het schrijven wel dat hij sosm op de vingers zou worden getikt door ingewijden want hij dacht dat hij door de ene denkt dat hij iets verkeerd weergaf en door de andere iets vergeten was. Men moet niet vergeten dat Piet niet overal zelf bij is geweest en veel dingen van anderen heeft moeten horen. Het is nooit zijn bedoeling geweest om dingen anders weer tegevn als zoals ze zijn gebeurd. Veel dingen heeft hij uit officiele rapporten. Het kan ook zijn dat er gebeurtenissen zijn die in andere kranten ooit anders zijn weergegeven maar ook die berusten niet altijd op de waarheid. Zoals we Piet van der Zanden kennen schrijft hij altijd prachtige verhalen die echt niet uit zijn duim zijn gezogen. Dit was even het voorstuk over wat jullie te lezen krijgen straks. Ik zal ieder week n of twee stukken hier plaatsen en ik denk wel dat veel Himmelnaren dit interessant zullen vinden... mensen zoals ik die n de oorlog zijn geboren en van de oorlog zelf niets hebben meegekregen zullen het wel fijn vinden om te weten hoe het werkelijk hier in de regio heeft afgespeeld en ook de kinderen die na b.v. 1960 zijn geboren kunnen dan ook nog 'ns lezen hoe belangrijk de Peel is geweest in oorlogstijd..





Opmars der geallieerden - "Rond Dolle Dinsdag"

DEEL 2-A

Welk een enthousiasme voer er door de mensen toen op 6 juni 1944 de langverbeide invasie een feit was. Jaren lang had de druk geduurd en wat men elkaar totdantoe meestal steelsgewijze had durven overbrieven en toefluisteren werd nu openlijk gezegd. Want de Engelsen zouden nu wel gauw hier zijn. De invasie was immers begonnen. En uit de opzwepende verhalen van Den Doolaard had men er een voorstelling van gekregen die bij zeer velen was terug te brengen tot de primitieven de geallieerden komen met man en macht aan land en snellen dan in ijltempo naar Berlijn. Zo eenvoudig was het evenwel niet. Later zijn die naivelingen wel tot een ander inzicht gekomen toen zij zagen wat er aan mensen en materiaal alleen maar nodig was als er nog niet gevochten werd. En daar op de kust van Frankrijk moest de beroemde Antitankwall geforceerd worden, moesten honderdduizenden mensen en kanonnen en tanks en minutie aan land gebracht worden. Niet met behulp van aanwezige en bruikbare haveninstallaties maar zo van het schip naar het strand. En dat onder vijandelijk kanonvuur en vliegaanvallen. Het enthousiasme van de eerste dagen werd bij sommigen al bezorgdheid en wankelmoedigheid, toen de gevechten maar steeds beperkten tot betrekkelijk kleine ruimten op de Normandische kust. Zij zagen over het hoofd, dat Eisenhouwer geen risico wenste te nemen en dat hij voor de beslissende doorstoot over voldoende aanvalskracht wilde beschikken. Zijn tactiek is juist gebleken en al heel gauw konden we de Duitsers weer bekijken met dat medelijdend ern spottend lachje van de eerste na-D-Day-dagen. Jaren lang hadden we ze als lucht beschouwd. Nu begonnen we ze te zien, maar het is ongetwijfeld voor de bezetters geen prettige gewaarwording geweest! Toen de geallieerden evenwel loskwamen, stonden de grootste optimisten nog paf. Want de fenomenale "Blitzkrieg" van de Duitsers in 1940 werd overtroffen door de legers van de Amerikaanse generaal. Het grootste deel van Frankrijk werd weldra bevrijd. De geallieerden stormden Belgie binnen, naderden de Nederlandse grens. Onze buren kwamen er, over het algemeen genomen, juist zo goed af, omdat de Duitsers nergens gelegenhaid kregen zich schrap te zetten. De Engelse en Amerikaanse tankcolonnes waren hun bij wijze van spreken al voorbij, voordat ze op hun komst verdacht waren. De Duitse legers werden zo in de war gebracht, dat ze in wanorde op de vlucht sloegen, in de pan werden gehakt, of zich moesten overgeven. De geallieerde vliegtuigen bombardeerden en beschoten de terugtrekkende troepen meedogenloos en van het eens zo "siegreche" leger bleven slechts gedemoraliseerde troepen over. De snelle terugtocht van de Duitsers wekte onder ons volk reacties die het leed van vier jaren bijna deden vergeten. Men was er al zo zeker van, dat de Engelsen gauw hier zouden zijn, dat men zich weinig zorgen maakte over eventueel nog door de Duitsers te bieden weerstand. Men nam zonder meer aan dat deze op de vlucht zouden slaan, zodra zich maar een Engelse plaate of bonkige Amerikaanse helm zou vertonen. Men was nu wel zeker van een spoedige bevrijding. Duitse vliegtuigen hoorde men weinig meer in de lucht. Wat er nog aan materiaal was, scheen naar elders te zijn overgebracht. De gebruikelijke jachten in de voornachten bleven steeds meer achterwege.



DEEL 2-B


Des te veelvuldiger kwamen echter de Britse jagers bij daglicht hun oorlogswerk verrichten. Treinen werden beschoten, autoverkeer op de wegen eveneens en men zag gewoonlijk fel naar boven loerende Duitsers motors en auto's besturen. Was er een jager in de burt, dan schoof de auto onder het beschermende camouflagegroen van een boom en de dappere Germanen reden pas weer verder, als geen gebrom meer te horen was. Op het laatst kon men geen wagen meer zien, of op het spatbord zat een soldaat die onder het rijden de lucht moest afzoeken. De Britten hadden er schik in.
Helaas vielen er ook burgerslachtoffers te betreuren bij deze militaire actie der Engelsen. In de namiddag van 28 augustus deed een Engelse escadrille jagers een aanval op een goederentrein, die uit de richting Helmond naar Eindhoven was vertrokken. We kennen alle nog het gierend geluid waarmee zulke duikvluchten werden uitgevoerd. Ieder op zijn beurt suisde naar beneden, recht op het doel af, op het juiste moment de bom loslatend. Jammer genoeg mislukte deze aanval voor het grootste deel. Wel werden enkele wagons in brand geschoten en werd de locomotief onbruikbaar gemaakt, maar de bommen misten hun doel en kwamen alle langs de spoorbaan terecht. Een jongeman uit Helmond werd op slag gedood. Een bom kwam terecht in een woonblok aan de Helmondseweg op het Hout. Vijf woningen werden bijna geheel vernield en vele andere liepen zware schade op. Enkele personen kregen nog lichte verwondingen. Op dexelfde 28ste augustus beleefde Deurne een opwindend voorspel van zijn bevrijding. In de avond van die dag deden enkele Engelse jagers een aanval op een passagierstrein, welke daar op het station stond.
De vliegtuigen scheerden laag over de wagons en boven het geraas der daverende motoren klonken knal-reeksen van de mitrailleurs. Met verbluffende en het hart weldoende snelheid maakten de Duitsers, die het atweergeschut moesten bedienen, dat op 'n platte wagen van de trein was opgesteld, zich uit de voeten. Ze schenen de kracht van de Britse jagers te kennen en hadden zich eerder in veiligheid gesteld dan de treinreizigers. Helaas kwam een van dezen om het loven en een ander moest zijn arm missen.
Overigens was het succes nul, want de locomotief werd niet geraakt en de trein kon zijn reis voortzetten. In de morgen van 1 september beleefden de bewoners van de Houtse Parallelweg in Helmond hun tweede schrik. Weer werd toen een trein aangevallen, maar zonder succes. Door de afgegooide bommen werden twee huizen geheel en enkele andere woningen gedeeltelijk vernield. Een vrouw werd ernstig gewond en drie personen, die een der huizen waren binnengevlucht, vonden in hun wijkplaats de dood. Dergelijke gebeurtenissen, die aantoonden dat het front ons land begon te naderen, zetten wel een domper op de algemenen opgewektheid over de steeds dichterbij komende bevrijding.
Dat deed ook de moord op de Burgemeesters van Asten en Someren, op WJM Wijnen en PJ Smulers, die in de nacht van 14 op 15 augustus uit hun woningen werden gehaald en op de kanaaldijk onder Someren werden neergeschoten. Het was alsof de dierlijke instincten van de Duitsers hen het zicht van de komende nederlaag in felle wraakzucht nog brachten tot het bedrijven van dergelijke gruweldaden of tot het doen uitvoeren ervan. De Silbertanne-aktion, die terreurmoorden deed verrichten z.g. als represaille-maatregel, beleefde in de laatste maanden voor de bevrijding haar bloedig bloeitijdperk. De droegheid en verantwaarding in beide gemeenten was groot. De uitvaartdiensten en gebedsoefeningen werden een grootse demonstratie van dankbaarheid voor het werk van de gevallenen en de bewondering voor hun moed. Het volk van Someren en Asten was dagen lang verslagen om het verlies van zijn beide leiders, zo kort voor de bevrijding.




DEEL 3-A

Nog steeds niet is definitief vastgesteld, of het fameuze bericht, dat de Duitsers totaal het hoofd deed verliezen een vergissing of een vooropgezette propagandastunt is geweest. Dinsdag 5 september 1944 zal niettemin een merkwaardige datum blijven in de geschiedenisvan de bevrijding van ons land en die hem meegemaakt hebben als goed Nederlander, zullen er altijd met smaak aan terugdenken. De Duitsers hebben er stellig minder aangename herinneringen aan en met hen de NSB-ers, landverraders en profiteurs die zich toen niet voldoende gedekt waanden. Wat was het geval? De Londense radio gaf het bericht door, dat de geallieerde troepen de Nederlandse grens overschreden en Breda bereikt hadden. Achteraf bleek deze mededeling wals te zijn al schijnen er een of twee verkenners-pantserwagens aan de rand van Breda geweest zijn. Wij kunnen best aannemen dat dit zo mogelijk is geweest, gezien de gekke situaties die uit de oorlog bekend zijn geworden. De uitwerking van het bericht overtrof die van de actie van vele Britse jagers of luchtvloten, Het was verbluffend.
De Duitsers raakten er zo van overstuur dat zij een waar sauve-quipret op touw zetten. Een stroom van Duitse militairen kwam over de Belgische grens naar Nederland. We kunnen best aannemen dat het niet de elitetroepen van Hitler waren, maar voor 'n groot deel de mannen die min og meer gedwonegen bij het leger waren ingelijfd. Anders zou een dergelijk reactie niet in zo massale vorm hebben kunnen opsteden.
Dag en nacht trokken de troepen voorbij, richting Duitsland. Het was een verslagen leger, een medelijwekkend leger oog. Haveloze troepen met buitgemaakte vervoermiddelen, als Franse karren, Belgische wagens, opgeeiste fietsen, tot kinderwagens toe. De wagens hingen vol vermoeide kerels. Anderen sloften achter hun met een mitralleur bewapende kinderwagen. De Fransen en Belgen gedwongen met paard en kar mee te gaan, lieten deze graag in de steek, wanneer zij daartoe maar gelegenheid kregen. De Duitsers letten echter wel op dat de mannen niet zo gemakkelijk konden ontsnappen. Desondankt slaagden er regelmatig in er tussenuit te trekken natuurlijk met behulp van Nederlanders, meestal de weg gewezen door de ondergrondsen die nu de kracht van een organisatie al begonnen te voelen als een grote steun.
Aanvankelijk had de terugtocht een vrij goed verloop, zo vertelden de Duitsers maar de Tommies met hun gierende en mitaillerend jagers bleven zo onbarmhartig en zo doelmatig aanvallen, dat de verwarring met de dag toenam. Dit had tot gevolg dat men de aanvoerders liet praten en dat ieder zijn eigen lijf trachtte te redden. Van de veelgeprezen nationaal-socialistische gemeenschapszin, van de broederschap en volksverbondenheid bleef in de praktijk niet veel over. We hebben dat maar al te goed kunnen zien. Het waren leuzen en daarom werden ze nu vergeten.
Platte petten in auto's snorden met een gerust hart voorbij infanteristen, die bijna te moe waren om zich nog lang te kunnen voortslepen. Gegapte fietsen werden evenmin afgestaan. Wie wat had, hield het, gedachtig de spreuk: "ieder voor zich"....




DEEL 3-B

Welk 'n verschil met Mei 1940 toen de stevig marcherende colonnes voorbij trokkenzingend "Siegebewusst", in het bezit van ontzaglijke hoeveelheden materiaal, wat ons mismoedig deed zeggen: "Ja over zes weken zitten ze in Londen". Hun vrachtwagens bleken geslonken, beschadigd of verdwenen. Hun uitrusting dwonge geen respect meer af. Hun houding,m vroeger aanmatigend was nu neerslachtig. Wat hen echter niet weerhield om fietsen te vorderen, paarden en karren mee te nemen, koeien en varkens te slachten en meer van die dingen welke een verslagen leger zich zelfs kan veroorloven, zolang de overwinnaar nog op meer dan schotsafstand is. Wat we in Asten zagen passeren, heeft men ook in Someren gezien. Andere troepen trokken door Helmond en Deurne en allemaal gingen ze in de richting Venlo. Daar gaat een totaal verslagen leger, zo dachten de mensen van de Peel. En ze staken hun leedvermaak niet onder stoelen of banken. Als de Duitsers een gesprek aanknoopten, zorgden de mensen wel dat de algemeen defaitistische stemming er niet beter op werd. Natuurlijk waren er Duitsers die nijdig beweerden, dat ze over enkele maanden terug zouden komen met hun nieuwe wapens. Hitler had het immers zelf gezegd. Zouden ze hem, dit zeggend, nog geloofd hebben, na wat ze met hun Atlantikwal, hun beloofde, maar uitgebleven vliegerhulp, hun wanordelijke ravitaillering en zo meer hadden meegemaakt? Of zouden ze het maar gezegd hebben om de Nederlanders bang te maken, zelf wel beter wetend? Me dunkt zo dat ze voor het grootste deel wel geweten zullen hebben dat hun vlucht, blijvend verlaten van ons land betekende. En ook, dat ze nergens anders meer naar verlangden dan thuis te komen, thuis te blijven in "die Heimat". Want het zwervend leven van jaren zal ook hen wel zijn gaan tegenstaan zeker toen de verhoopte overwinningen uitbleven.
De terugtrekkende troepen poosden nergens lang. Ze moesten echter helemaal niet meer vooruit kunnen voordat ze hun bivak opsloegen. Openbare gebouwen trokken hen meer aan dan inkwartiering bij burgers. Zouden zij bang zijn geweest voor acties of bleven zij liever dicht bij elkaar om gauw te kunnen verdwijnen als er alarm gemaakt werd? In ieder geval was de bevolking met deze gang van zaken ingenomen. Men was er niets op gesteld, het haveloze leger over de vloer te krijgen.
Overal in het land, en natuurlijk ook in de Peelstreek, schoot de NSB-ers, de Burger-Duitsers, de Deutch-freundlichen en al dergelijke de schrik in de benen toen hun beschermers zo klaarblijkelijk in moeilijkheden waren. De Duitse burgers verdwenen. Hun organisatie voor overbrenging naar Duitsland maakte in Helmond de zaak klaar. Met vergetenh van de schone leuzen, waarop ik boven reeds zinspeelde. Er was bij de overbrenging een zeer duidelijk voorkeur en het waren niet de meest-gegoeden of de laagste partijleden die het laatst "befordert" werden, Integendeel!
De dappere landwachters die zo krijgshaftig met hun jachtroeren door de straten hadden gelopen, zochten achtereenvolgens een goed heenkomen. Maar ze vonden het niet allemaal, zoals later gebleken is. Ze ondervonden wel de dankbaarheid van de Duitsers die gouden bergen beloofd hadden, die hun leuzen als vuurwerk hadden afgestoken maar die uiteraard nu het eerst zichzelven dachten. Dit menselijke was de Duitsers in ieder geval niet vreemd.
Niemand zag de Landverraders node gaan, want hun verdwijnen wees er op dat het voor ons allen de goede kant uit ging. Dat bleek ook wel uit de handelswijze van de commandant van het Eindhovense vliegveld. Die hield ons in de nacht van 5 op 6 september 1944 wakker!




DEEL 4-A

Boem! de huizen van Asten trilden op zijn grondvesten. En zo ging het op alle plaatsen, gelegen en een straal van enkle tientallen kilometers rond Eindhoven. Wat was er aan de hand?
Dit vroegen zich duizenden af, toen zij door de eerste zware ontploffing in de avond van 5 september 1944 worden opgeschrikt. Men mag naar buiten om de buurman te vragen of die soms ook iets gehoord had. Een overbodige vraag want buurman stond al buiten, zijn kinderen huilden reeds en de honden blaften tegen de avondlucht. Plotseling een heftige flakkerende weerschijn tegen de Westelijke lucht, vanuit Asten gezien, alsof ver weg een groots vuurwerk werd afgestoken. Het was de vaste gewoonte geworden om te tellen hoeveel seconden tussen licht en ontploffing zouden liggen, dat ik het ook nu automatisch deed. Toen de slag volgde wist ik het: Eindhoven. Maar wat zou men daar aan het doen zijn? Een bombardement verliep altijd anders. Dan was er gebrom voor en gebrom na. Dan kwam het afweerdeschut in actie en zag je de lichtgevende munitie haar sporen trekken tegen de lucht en vonkten de uiteenspattende granaten.
Er was geen andere conclusie mogelijk dat deze: Moffen laten de vliegveldinstallatie, minutievoorraden e.d. springen. De schrik na de eerste ontploffing ging over in voldoening. Want als de militaire commandant dergelijke dingen ging doen, stonden we er uitstekend voor!
De volgende morgen, toen de reeks ontploffingen geeindigd was, kregen we spoedig zekerheid. Een Eindhovenaar bracht het bericht mee, al wist hij uiteraard niet het fijne van de zaak, want publiek was er geen uitgenodig. Het vertrouwen in een spoedige bevrijding nam na deze nacht nog toe en menwaande, dat de Engelsen niets meer overbleef dan zegevierend door dorpen en steden te trekken.
Fabrieken en werkplaatsen lagen stil want men diende immers klaar te zijn om de bevrijding te verwelkomen. De arbeiders bleven thuis. De een, omdat de toestand gevaarlijk kon worden, als er nog eens geschoten mocht worden, de ander, omdat hij met weer andere niet-werkers zoveel te bepraten had over de gelukkig gekeerde kansen. Na enkele dagen kwam er een eonde aan het getrek der Duitsers. Er ontsond een soort luchtledig, dat door de onverwachte rust eigenlijk groeiende onrust verwekte bij de mensen. Wat was er nu eigenlijk aan de hand? Waarom kwamen de Engelsen Niet? De Duitsers waren immers teruggetrokken. Ons land lag open voor de bevrijders. Waarom kwamen ze toch niet?
En de radi, al driester beluisterd nu de gevaarlijke NSB-ers verdwenen waren, gaf maar weinig nieuws. Waarom trokken de Engelsen toch niet over het Leopoldskanaal? Over de zee waren ze zo gemakkelijk heen gekomen. Kon een kanaal hen dan tegenhouden? Men begreep er niets van. Maar begon wl te begrijpen, dat er nog wel het een en ander zou kunnen gebeuren voordat de Tommies door de straten van onze Peeldorpen zouden lopen en rijden. De jubelstemming maakte plaats voor opkomende schrik. Voor ontstemming ook. Maar in de nachten was er in de verte al vaag het gerommel van artillerievuur te horen.




DEEL 4-B


Nu het front zich meer naar Nederland verplaatste, luisterde de ondergrondse naar het parool, dat door de regering in Londen werd uitgegeven. Sabotage moest er gepleegd worden, om de aanvoer van troepen en wapens te vertragen. Bruggen moesten beschadigd, rails opgebroken, leidingen vernield worden. En zo gebeurden deze dingen ook in de streek van de Peel.
De ondergrondsen deden dingen die de meer bezadigden erg gevaarlijk voorkwamen. Maar ja, elke activiteit was toen gevaarlijk en hoe zou men iets kunnen bereiken zonder iets te wagen? Het was goed dat de mannen die iets deden niet allenvan het afwachtende type waren. Hun daden verontrustten de Duitsers en gaven de burger moed.
Ondergrondsen overvielen kleine groepjes Duitsers en daarna de wapens te bemachtigen. Een echt bravour stukje leverden een paar Astense jongens, die op de kanaaldijk enkele Duitsers gevangen namen, hen ontwapenden, hun paard en wagen meenamen en openlijk daarmee kwamen aanrijden. Dat er geen represailles genomen werden tekent de verwarde toestand van toen.
In Deuren werden op klaarlichte dag enkele postmannen overvallen. De buit bestond o.a. in distibutiebescheiden, die zonder veel verzet werden afgegeven. Alle Deurnese mensen glunderden om het succes, uitgezonderd natuurlijk de enkele van het bekende maar onbeminde soort. Enkele dagen leter werd op de Rakt (tussen Deurne en Helmond) een trein tot ontsporing gebracht, ook hier bleven replesaille-maatregelen uit.
Op Dolle Dinsdag zelf had in de Peel langs de spoorlijn naar Venlo tussen America en Griendtsveen een drama plaats, waarbij twee vooraanstaande strijders uit het ondergrondse verzet de dood vonden. Frits de Bruijn uit Asten, bekend onder de naam Alphons en Mertien van den Eijnden uit Deurne (Watje) werden door de Duitsers betrapt, toen zijn 'n stuk uit de rails aan het losschroeven waren. Hoe het precies is toegegaan kon men naderhand slechts gissen, want directe getuigen zijn er niet geweest.
Per auto waren zij naar de Peel getrokken. In het klein station van America hadden zij de telefoon onklaar gemaakt en van een spoorarbeider kregenzij een grote Engelse sleutel. In de buurt stond een trein met SS-ers die wachtte op de terugkeer van de locomotief welke water was innemen. Waarschijnlijk hebben de inzittende van deze trein de beide ondergrondsen, - waarvan Frits gekleed was in de uniform van soldaat der luftwaffe - bezig gezien aan de spoorlijn, hen betrapt en toen een nader onderzoek ingesteld.
Hun beider lijken werden langs de spoorlijn gevonden. Asten had opnieuw zo kort voor de bevrijding, een van haar voornaamste verzetsmannen te betreuren, want lange tijd was Alphons de durver, de helper van piloten en onderduikers, de man, die actief verzet pleegde en die anderen een hart onder de riem stak wannee die dreigden te versagen.
In de avond van 8 september werd het stoffelijk overschot van Frits de Bruijn per auto naar Asten overgebracht, waar in stilte op het kerkhofde absoute werd verricht. Frits werd begraven in de Brabantse grond voor welke bevrijding hij zijn jonge leven had gegevem. Die hem gekend hebben zullen hem nooit vergeten. Voor hen is het monument op de plek waar martien en Frits gevallen zijn niet nodig om de herinnering aan de beide verzetshelden levendig te houden.




DEEL 5-A

Hoe waren de ondergrondsen aan hun wapens gekomen? Over de Engelse zender was veel gesproken over het afgooien van wapens op bepaalde punten en, na radiocontact, over de ligging van die plaatsen. Hoe het elders geweest is, kan ik niet zeggen, maar hier in de buurt zijn op die manier geen wapens gekomen of mislukten de poging tot afwerpen. Er moest dus iets anders op worden gevonden. En er werd ook iets op gevonden.
De ondergrondse haalde haar wapens uit het kamp Ostkompagnie in Helenaveen, waar de groep Neerkant haar slag geslagen had. De buit was ruim genoeg om Liessel en Asten mee te doen delen, want men had er gevonden: 50 karabijnen, 20 pistolen en 2 mitrailettes. Ik memoreerde reeds hoe terugtrekkende Duitse troepen werden overvallen en ontwapend. Op dat gebied zouden nog meer andere staaltjes geleverd worden.
Op 5 september was ook in Liessel een K.P. gevormd, waarin uiteraard jongelui werden opgenomen die in het verzetswerk al enige ervaring hadden. Het verleden had dit bewezen. De leiding van de groep was er van op de hoogte dat de Arbeidsdienst een geheim bevel had, naar den Bosch te vertrekken met de aanwezige manschappen zodat het daarvoor vastgestelde sein gegeven zou worden. Daar zouden dan verdere bevelen in ontvangst genomen kunnen worden.
De leider van "Heitraks Goor", een der kampen, had de brief met geheime opdracht geopend en zijn jongens gezegd dat ze maar "moesten opdonderen". Deze jongens moesten natuurlijk ergens worden ondergebracht om te voorkomen dat ze naar Duitsland gestuurd zouden worden. Maar deze inkwartiering of onderdakbrenging leverde moeilijkheden op in verband met het eten en de dekking. De onderhopman die niet te vertrouwen was, werd gevangen genomen door de Liesselse K.P. en met enkele andere NSB-ers zolang ergens ondergebracht.
Dit wordt hier eenvoudig neergeschreven maar zo eenvoudig en gevaarloos was dit werk echter niet. Men moet niet vergeten dat de Duitsers nog in ons land waren, dat er voortdurend militairen passeerden en dat men heus niet kon weten hoe de volgende dagen de ontwikkeling der feiten zou zijn.
Bovendien was er altijd het gevaar van de gewichtig doende mensen die wilden laten horen dat zij van alles op de hoogte waren. De gevaarlijke ongewilde verraders zou men ze kunnen noemen die er tijdens de bezetting meer zijn geweest dan menigeen weet. De overtuiging van eigen belangrijkheid, die ze aan anderen wilden bijbrengen verleidde hen tot het doen van mededelingen welke geheim hadeen moeten blijven. Zo bleek ook in Liessel aldra, dat er meer gepraat was dan veilig kon zijn. De gevangenen moesten dus weg. En zo gauw mogelijk.
Uit het andere kamp, de "Rooie Braak", waren de jongens van de arbeidsdienst des middags om 3 uur vertrokken en omdat het kampleeg was werd een bewakingsdienst georganiseerd, in overleg met de burgemeester van Deurne. "Vreekwijk" het derde kamp, werd ook op 8 September bezocht. Men stelde er eveneens een wachtdienst in. Des middags om 3 uur kwamen de moffen controleren maar de papieren der "hulppolitie" waren in orde, zodat de bewakers hun posten konden blijven innemen!




DEEL 5-B


Helaas viel hier door een samenloop van omstandigheden toch nog een slachtoffer. De kapelaan kwam toevallig langs met een onderduiker H. Moll, een halfbloed, die ook bij de ondergrondse was ingedeeld, alhoewel hij hij pas van elders naar Liessel gekomen was. De Moffen dachten eerst dat ze met een Amerikaanse piloot te doen hadden en Moll moest zij jas uittrekken. In die jas zat een pistool. Waarschijnlijk zou er niets gebeurd zijn als hij de jas achteloos op de grond had gegooid. Maar Moll geschrokken en in de war van de plotselinge controle sloeg op de vlucht.
De anderen stonden star van schrik. Wat zou er gebeuren? De Duitser trok zijn pistool en schoot de vluchteling neer, die door talrijke kogels werd getroffen. Hij was onmiddelijk dood.
De Duitsers, nu vol argwaan tegenover de rest van de groep, namen allen mee. Ze wilden nagaan, wie er nog meer wapens in zijn bezit had. Een van hen, ook een vreemdeling werd tegen een muur gezet en herhaalde malen geslagen. Later namen de Duitsers hem mee naar Venray, naar Eindhoven, Nijmegen en den Bosch, maar gelukkig kon hij tijdens het laatste vervoer ontvluchten. Na de bevrijding heeft de commandant der Astense O.D. hem nog mee teruggebracht. De Duitsers waren die nacht in hun stellinkje erg onrustig en schoten meermalen in de lucht, blijkbaar om eigen vrees te verdrijven. De volgende dag werden de gevangen genomen N.S.B.-ers naar Lierop gebracht, dat wil zeggen, de Astense ondergrondsen kwamen de Liesselsen tot de Hoeve tegemoet, waar de menselijk buit werd overgenomen.
Het was een heel waagstuk om de acht kerels van de Hoeve naar Lierop te brengen, niet alleen vanwege de afstand, maar ook vanwege het grote risico ergens Duitsers te ontmoeten. Men moest immers over de Zuid Willemsvaart. Maar de Astenaren lapten 't hem en ze brachten het tot een goed einde. Wat was dat, het kamp Lierop?
In de zomer van 1943 vroeg een Nederlandse reserve-luitenant aan boswachter Bussers in Lierop, of deze in de bossen geen hut voor hem kon bouwen, geschikt als onderduikplaats. De hut kwam er, maar de man mocht bij Bussers onderduiken! In December 1943 werd in Asten contact gezocht. Daar moest een onderduikerskamp op Hoogenbergen in de staatsbossen uit voorzorg worden opgeheven omdat te veel personen van het bestaan van dit kamp op de hoogte waren gekomen. De op Hoogenbergen verblijvende mannen wilden nu naar Lierop en Bussers zegde toe wel een 30 of 40 man onderdak in de bossen te kunnen verschaffen. Bussers wees de plek aan op Moorsel, ook in de staatsbossen, maar om alles zo goed mogelijk geheim te kunnen houden, wilde hij zelf alleen als verbindingsman fungeren. Er kwam hout en voedsel. Alles moest des nachts worden aangevoerd. Maar het kamp groeide intussen van tent tot een aantal meer bewoonbare hutten.
In Februari 1944 kwamen er twee Amerikanen, die later door Frits de Bruijn maar Maastricht gebracht werden. De bevolking groeide overigens tot 30 man die ieder hun taak hadden. Men amuseerde zich zo goed en zo kwaad als het ging. De politie, voor zo ver men die had moeten inwijden, verleende volle medewerking. Het is hier nu niet de plaats om de hele geschiedenis van het kamp te vertellen. Ik volsta met nog mee te delen, dat o.a. 15 piloten in het kamp korter of langere tijd verbleven hebben.
In Augustus troffen ook de kampbewoners hun voorbereidingen voor optreden naar buiten. Er werden stukken weggebroken uit de spoorlijn Helmond-Eindhoven en andere acties uitgevoerd en de gevangenen van Liessel werden met zorg in het kamp onder verzekerde bewaring gesteld.
Zij die hier bijeen waren, zijn heus geen bange onderduikers geweest, maar werkelijk mannen van het verzet. Die geholpen werden door mensen uit Lierop en Asten, waartoe behoorden een overste van een zusterklooster, een kapelaan en menig ander goed vaderlander, die door ononderbroken steun in die gevaarlijke tijd bewezen, dat hun "volksgebondenheid" geen leuze was maar schone practijk.




Het Voorspel

DEEL 6-A

Zondag 17 september trachtte Montgomery zijn grote slag te slaan door het vormen van een corridor tot Arnhem, waar als doel lag: de brug over de Rijn. Deze brug hoopte Monty onbeschadigd in zijn bezit te krijgen evenals die van Nijmegen. Was die opzet gelukt dan zou de sprong naar het Rijngebied veel gemakkelijker geweest zijn, omdat snelle aanvoer van materiaal verzekerd was geweest.
De landingstroepen, de beroemde Airbornes werden met traag vliegende Dakota's en zwaar bemande gliders aangevoerd. In de buurt van Arnhem werden 5000 man met materiaal neergezet, maar helaas, de opzet mislukte. De heronische strijd van de Airbornes zal in de geschiedenis een onvergetelijke bladzijde blijven. Ze hielden stand ondanks de verliezen, ondanks de onvoldoende hulp, totdat eindelijk een vijfde van hun getal over de Rijn kon worden teruggenomen. Maar de brug werd vernietigd. De sprong van Monty was te kort geweest. Hij reikte niet verder dan Nijmegen, waar gelukkig de brug wel behouden bleef, mede dank zij de dappere daad van Jan Hooff.
Maar ook dichterbij werden luchtlandingen uitgevoerd, namelijk in de buurt van Eindhoven en Son, bij Veghel en andere plaatsen. De corridor waarlangs het grondleger met pantserwagens en tanks moest voorttrekken, neen, voortsnellen werd gemarkeerd door de landingen van paratroepen, die de knooppuntensnel bezetten en bezet hielden totde versterking arriveerde. Dat was prachtig werk, adembenemend ook voor ons, de mensen van de Peel omdat nu opeens de geallieerden een stoot naar voren deden die ons practisch in de frontlinie bracht.
Maandag 18 september was Eindhoven bevrijd. Er ging een jubel door de Lichtstad ter verwelkoming van het prachtig vechtende leger dat zich vanaf Caen een weg gebaand had door Noord Frankrijk, Belgie en de strook Nederland die Eindhoven van de grenslijn scheidde. Helaas de jubel zou voor menigeen in droefheid verkeren, want de Duitsers deden in de avond van 19 September een verradelijke luchtaanval en strooiden vele bommen uit, die niet alleen materiele schade aanrichtten maar ook slachtoffers eisten.
De bevrijding van Eindhoven had een eigenaardige uitwerking. Men was blij maar tegelijkertijd ongeduldig over de treuzelende Engelsen omdat die zo lang op zich lieten wachten. De verovering van Eindhoven was zo vlot gegaan dat iedereen weer in kortzichtigheid de conclusie trok: het is de onwil van de Tommies, dat ze nu ook niet even geheel Brabant, althans zeker ons dorp komen bevrijden. Men doorzag niet meteen de opzet van Montgomery, die een corridor, een gang dwars door ons land had gevormd, het land nog door de vijand bezet en die al zijn mensen en materiaal nodig had om die gevaarlijke smalle corridor te behouden.
Het was onmogelijk voor hem mr te doen. Hij kon er onmogelijk over denken die strook te verbreden, voordat de eigenlijke corridor stevig geconsolideerd was. Maar ja, dat zagen wij allemaal voorbij en in egoisme praatten we van langzame Engelsen, vlak na de dag dat deze bewezen hadden weergaloos snel te zijn!




DEEL 6-B

De Duitsers die hier rondzwierven of vast domicilie hadden, -voorzoverbij strijdende legers van vast domicilie gesproken kan worden,- waren niet zo ongeduldig als de bevolking. Zij hadden liever gehad dat de Tommies die fameuze sprong over land en door de lucht maar niet gewaagd hadden. want zij wisten nu, dat er zeer binnenkort een zware wijs voor hen zou opgaan. Zo wijs waren zij door de Engelse zenders waarnaar zij min of meer openlijk durfden luisteren, wel geworden. En de communiques van hun eigen hoofdkwartier lazen zij voortaan ook kritischer dan toen zij daar achter hun Atlantikwall rustig kennis konden nemen, omdat ze gevechtshandelingen ver weg betroffen. Wat zij nu meemaakten en wat ze nu in de communiques lazen dekte elkaar niet precies!
Laten de Nederlanders zenuwachtig geweest zijn van ongedurigheid: de Duitsers waren het van angst. Dat bleek uit de reacties. Er werden bevelen gegeven, die enkele uren later weer werden ingetrokken en vervangen door andere. Troepen legden stellingen aan en verlieten die weer na een halve dag. Kanonnen werden aangesleept, opgesteld en weer verplaatst. Het was een gejaagd zoeken naar de juiste manier van afweer en bij degenen, die de bevelen kregen uit te coeren, een sceptisch doen. De zekerheid, stand te kunnen houden ontbrak. Dat was aan de gezichten der ondergeschikten te zien en aan de bevelen der officieren te merken.
Aan de Zuid-Westzijde van het kanaal, in Someren en Lierop dus, zag men de doortrekkende Duitsers. Burgers werden aangehouden en van hun fietsen ontlast, indien ze deze niet verstopt hadden. Langs de huizen hadden vorderingen van fietsden plaats. Het leger moest gemotoriseerd worden! Voor de terugtocht.
Aan de Noord-Oostzijde van de Zuidwillemsvaart, aan de kant van Asten dus, werd koortsachtig gewerkt aan veldversterkingen. Het aantal mangaten en mitrailleursnesten werd uitgebreid. Reeksen loopgraven werden klaargemaakt, vooral in de buurt van de sluizen, om dan plotseling weer verlaten te worden.
Een dag of acht voor de bevrijdeing kwamen enkele tientallen Duitsers met een stuk of zes kanonnen naar Asten. Het geheel stond onder bevel van een Feldwebel die vastbesloten scheen van Asten een Stalingrad te maken. Dat hield hij ook vol als men tegen hem praatte. Het was geen geruststelling hem bezig te horen of bezig te zien. Hij kon te keer gaan als een bezetene en wie hem door de straten zag jakkeren, kreeg de indruk met een volkomen krankzinnige te doen te hebben. Het leek wel of de kerel nooit sliep. Men hoorde hen de hele nacht en zag hem gedurende de dag.
Op zijn bevel werden de kanonnen telkens verplaatst. Zware vrachtwagens werden er voorgespannen. Nu eens stonden de stukken prachtig gecamoupleerd in stelling bij het bosje tussen Oliemolen en voetbalveld. Dan werden ze weggesleept naar een ander terrein langs de Wilhelminastraat. In de Wolfsberg kregen ze korte tijd een plaats bij het huis van L. van der Poel. Er was veel onzekerheid in het gemanouvreer maar ook tactiek. Immers, dus doende zouden vijendelijke artillerie of vliegtuigen moeilijk met zekerheid hun doel kunnen bepalen. De handelingen van de feldwebel met zijn troepje waren niet erg gerustgesteld. En zijn gejaagdheid plantte zich onwillekeurig over op de bevolking. Men begon te vrezen, dat er wel eens iets kon gebeuren wat minder aangenaam was dan een zegevierend binnentrekkend leger der Engelsen te begroeten. De gek was in staat Asten plat te laten schieten, alleen om zijn waanzinnig voornemen te kunnen uitvoeren: vechten tot de laatste man.
Onderling besprak men, waarom de Engelsen nu toch niet kwamen. Het scheen nog vrij gemakkelijk over het kanaal naar Asten te komen. Wel leek de feldwebel fanatiek, maar zijn manschappen zouden het minder zijn, althans zo op het oog te zien.




DEEL 7-A


De activiteit der Duitsers bepaalde zich niet alleen tot het verplaatsen der kanonnen en tot het graven van mitrailleurnesten. In die laatste dagen weerklonk de lucht van de doffe slagen der ontploffingen bij de sluizen. Daar werden gaten geboord in de kolkmoren en zo grondig als maar kan, werden de sluizen vernietigd. Met weemoed hoorde men in de verte het geknal en men maakte zich een voorstelling van de ravage, inwendig vloekend, omdat er niets tegen te doen was en dat men dit alles maar moest laten gebeuren. De ladingen onder de bruggen bleven onaangeroerd. Want de eigen soldaten moesten nog de gelegenheid hebben tot terugtrekken, tot vluchtende soldaten. Slechts op het laatste ogenblik zouden bruggen de lucht in gaan.
In de nachtelijke uren was het zware gerommel van artillerievuur niet van de lucht. Valkenswaard werd in een can die nachten beschoten en zoals we later hoorden, had het dorp daar veel onder geleden. Dat was niet opwekkend. De Duitsers trokken zich dus allerminst zonder zich te verzetten terug. En de Engelsen schroomden niet haarden van verzet, al waren dat dorpen vol of steden, onder vuur te nemen. oorlogsnoodzaak dreef hen natuurlijk tot deze harde maatregel. Maar stel je eens voor dat het kanaal een gevechtslinie zou worden waar de Duitsers zich zouden schrap zetten! Wat zouden dan de gevolgen voor Asten zijn? Neen, het was niet geruststellend.
De huizen op Sluis XI, aan beide kante van het kanaal, waren al sinds enkele dagen ontruimd. In de omgevind van deze sluis waren veel meer en veel sterker weldstellingen gemaakt dan op Sluis X. Enkele kanonnen in de Wolfsberg en bij de Oliemolen hadden hetzelfde doel. Op daarvoor geeigende plaatsen hadden de Duitsers mijnen gelegd. De "vaste bezetting" van de mitralleursposten en stellingen zal hier zowat honderd man hebben bedragen. Niet zo onoverkomelijk voor een wel bewapende pantsercolonne. Als die toen maar gekomen was! Donsdag 19 september viel in Lierop een slachtoffer. Onder de bewoners van het kamp waarover ik iets eerder al verteld heb, had men het vaste voornemen om daadwerkelijk deel te nemen aan de strijd zodar zich hiervoor de gelegenheid zou voordoen. Men besloot te trachten alle Duitsers gevangen te nemen die over de boswegen van Eindhoven naar Lierop zouden komen. De gevechtsgroep was 12 personen sterk. Onder deze dappere mannen bevonden zich ook de Amerikanen Bratt en Frank Doucette.De een was wegens een voetblessuur niet eerder vervoerd kunnen worden. Men koos met mitrailleurs stelling naast het fietspad en wachtte af.
Op zeker ogenblik, toen Doucette bezig was met zijn wapen, daagden tien Duitsers op. Zij zagen hem het eerste en voor hij kon schieten werd hij door een kogel getroffen. Twee anderen kregen beenwonden en werden ook buiten gevecht gesteld. De Duitsers trokken zich daarna terug, niet achtervolgd door de mannen, die zich vol zorg bogen over hun getroffen makkers. Frank Doucette, strijdend voor de vrijheid van ons land, eerst als vliegenier, hier als infanterist, had het hoogste gegeven wat een mens kan geven, zijn leven. Des nachts werd hij in stilte op het kerkhof van Lierop begraven, daags voor de bevrijding. Men kan zich indenken hoe deze slag zijn vrienen trof. Maar de strijd moest doorgaan. Het leven van anderen stond nog steeds op het spel. In de buurt van Helmond vernielden de Duitsers ook wat zij niet meer konden gebruiken. Het radiostation op het Hout werd opgeblazen. De trambrug onderging hetzelfde lot. De sluizen werden vernield. Het was zeker. De bevrijding zat in de lucht.




De bevrijding

DEEL 7-B

Toen Montgomery de tijd gekomen achtte, om zijn troepende opdracht te geven tot het verbreden van de corridor, kon dat in deze streken gebeuren door afdelingen, die vanuit Belgie over Valkenswaard deze kant uitkwamen. Nadat dit laatste dorp na de zware beschieting bezet was, lag heeze het eerst op de route der bevrijdingslegers.
In Heeze klom men al op de daken om te zien, wat zich in de verte afspeelde. De donder van het geschut, de knallen van het afweervuur, ze werden al doorknetterd met mitrailleurschoten. "Maar een front is voort dichtbij, als men het vanaf het dak kan zien", zo lazen we ergens.
Maandag 18 September was er brand bij ket Heezerenbos. De brandweer rukte, hoewel geallarmeerd, niet meer uit, omdat de brand in oorlogsgebied woedde. Even na zes uur kwam een kleine pantserwagen het dorp reeds binnen. Er ging een gejuich op toen men zekerheid had dat het geen Moffen maar Engelsen waren. Een tweede pantserwagentje gevolgd door een zware Shermantank, kwam aangereden. De mensen dansten, schreeuwden hoera, zongen vaderlandse liederen, gaven de Engelsen en elkaar de hnad, zwaaiden met hoeden en zakdoeken. De bevrijdingsroes had allen aangegrepen.
De Tommies lieten het zich welgevallen en staken de vingers op in V-vorm. De V der vrijheid en de Victorie. Maar de tanks rolden weg in de richting Eindhoven en hadden op de Strabrechtse weg, ter hoogte der marechausseekazerne zo'n verrassende ontmoeting met een Duitse legerauto, dat deze met haar acht inzittende voorbij kon schieten en het mitrailleurvuur te laat kwam. De Moffen verlieten verderop echter hun auto en verdwenen hard lopend in de richting van de schietberg.
Andere tanks ontmoetten op Creijl en Duitse legerwagen en motor. De berijder werd er af geschoten en bleef op de weg liggen. De auto werd door de vluchtende Duitsers achtergelaten. Verdwaalde kogels hadden een strooien boerderijdak vuur doen vatten. Huis met schuur en stallen brandden geheel af.
De eerste zes tanks waren in Heeze gekomen vanuit Valkenswaard, dwars door de hei, naar beide zijde schietend. Op Heezerenbos vuurden zij op de huizen in de mening, dat daar Duitsers verborgen waren en twee schuren vlogen in brand. Toen zij hun vergissing bemerkten was het te laat. De gewaarschuwde boeren konden niets meer van hun oogst redden.
Dinsdag 19 September vierde heeze zijn bevrijdinsfeest. Vlaggen kwamen tevoorschijn en wapperden van de huizen, ondanks de waarschuwing van Prins Bernhard, over de radio uitgezonden, niet te feesten, voordat de Engelsen definitief bezit hadden genomen van een plaats. Ook meer voorzichtige bewoners van Heeze waarschuwden tegen overijling, maar een volk in vreugde denkt aan geen gevaar. Ieder droeg oranjelinten of mutsen en liep op straat. Binnen scheen de vrijheid niet te voelen of de ruimte voor haar te klein!
Des middags om vier uur kwamen de ondergrondsen te voorschijn.




DEEL 8-A


De ondergrondsen van Heeze waren georganiseerd in de P.A.N., (Patizanen Nederland) en behoorden ook tot de Binnenlandse Strijdkrachten, welke geheel onder opperbevel van ZKH. Prins Bernhard stonden. De jongelui, getooid met de voorgeschreven band om de arm en gewapend met pistolen en revolvers, die men verborgen had in de tuin van een NSB-er en die nu waren opgegraven, waren maar wat trots op hun "gemotoriseerde" afdeling. (Dank zij twee Duitse legerauto's buitgemaakt op de weg naar Geldrop). Ze namen de zorg voor de gevangen genomen NSB-ers op zich en sloten die op in een schuilkelder.
Het gaf we enige sensatie toen plotseling een eenzame Duitser uit de richting Someren het dorp kwam binnen fietsen, het geweesr achteloos op het stuur hangend. Na een waarschuwing sprintte de geschrokken man echter naar Someren terug. Later kwam er nog een te voet, waarover de ondergrondsen zich ontfermden. Ze sloten hem op bij de andere gevangenen. Doch het werd ondertussen toch maar verstandiger gevonden, de vlaggen binnen te halen en het oranje nog op te bergen. Wat maar goed bleek te zijn, want Woensdagmorgen 20 september werd het kanongebulder wel erg dicht bij het dorp gehoord. Daartussendoor mengde zich het geronk van de vliegtuigen.
Onthutste Heezenaren die eens naar buiten loerden, bemerkten tot hun ontgoocheling en schrik dat het dorp weer vol Duitsers was. Er stonden overal auto's met kanonnen er achter. De officieren waren druk aan het delibereren over de opstelling der kanonnen. Bij de molen aan de Leenderweg hadden zich Duitsers met mitrailleurs genesteld en die kregen de volle laag van de Engelse kanonnen, zodat de molen openscheurde en de burgers, welke in de molenberg een schuilplaats hadden gezocht, in grote angst zaten. Als de molenstenen eens naar beneden waren gekomen! Wel werd een man door een granaatscherf gewond en elders werd nog iemand in het gezicht getroffen. Anders kwamen de burgers van heeze er goed af. Veel strijd werd er niet geleverd. Want toen om half vier het geluid van Engelse tanks steeds duidelijker werd, kozen de Duitsers het hazepad, zodat Dinsdagsmiddags om vier uur ongeveer heel Heeze definitief in handen der Engelsen was. Toen konden de vlaggen gerust en blijvend uit! Toen kon zonder gevaar het ornaje weer gedragen worden. En wat rookte men opgelucht de smakelijke sigaretten en hoe smulde men van de chocolade!
Maar de Engelsen bleven niet in heeze. Vanuit Geldrop en Mierlo ging het binnendoor naar Lierop en de tocht naar Someren werd ook voortgezet. Zowel over de grote weg als over de zandwegen door de bossen en heide. Over Sterksel trok ook al een colonne. En als overal ook hier kwamen ondergrondse in het geweer. Ze traden op als wegwijzers, meldden uitgevoerde acties, waarschuwden voor Duitse verrassingen en deden al wat ze konden, om hun geallieerde vrienden alles zo gemakkelijk en veilig mogelijk te maken.
De Somerense ondergrondsen vormden een onderdeel van de KP, (KnokPloeg). Even voor de intocht van de Engelsen hadden enkele KP-ers nog getracht de lading onder de brug van Sluis XI te verwijderen maar deze poging was mislukt.



DEEL 8-B

Verscheidene K.P.-ers hielden zich voor hun taak op tussen Heeze en Someren, zoals boven reeds gezegd, om hun diensten ter beschikking te stellen. Zoals de algemene opdracht ook luidde. Helaas werd een van hen door de Duitsers gevangen genpmen. Bij fouillering kwam er minutie voor de dag en het zou met hem afgelopem zijn, als zijn moeder de Duitsers niet had kunnen vermurwen, De jongeman was reeds naar Sluis XI gebracht om daar gefusilleerd te worden.
De Somerense mensen hadden natuurlijk al even erg naar de komst de Engelsen verlangd als iedereen elders. Ook zij hadden de radio-berichten gevolgd en de fluisternieuwtjes overgebracht. Het grote ogenblik was daar op Woensdag 20 september, een uur voor zonsondergand. Een zeer groot aantal zware tanks kwam over de Heezerweg aangerummeld en was allang te horen geweest voor men ze zag. Een paar gevechtswagens, snelle pantserwagens, die ondanks hun zwaarte van 5 tot 10 ton gemakkelijk een snelheid van 130 - 140 km konden halen, gingen vooraf. De Duitsers schenen het geluid te kennen en namen de maatregelen, die meer heldhaftig leken dan afdoende waren. Gelukkig voor de Somerense inwoners, want operette-dapperheid is verre te verkiezen boven echte gevechten. Daar kunnen wij aan deze kant van de Zuid-Willemsvaart van meepraten!
Op verschillende punten werden soldaten opgesteld die gewapend waren met pantservuisten. Deze pantservuisten waren bestemd als infanteriewapens tegen tanks. Zij waren inderdaad gevaarlijk in de handen van vastberaden kerels die hun leven wilden riskeren. Dat hebben de geallieerden dikwijls genoeg ondervonden. Op de Markt maakte een groep Duitsers een kanon gevechtsklaar, blijkbaar wilde men beter voorbereid zijn op de escapades van Engelse pantserwagens die er twee even vantevpren in snelle vaart via de Speelheuvelstraat en Markt naar de Kanaalstraat gereden waren, ondertussen almaar naar alle kanten vurend. De wagens waren echter weer even snel teruggekeerd.
Dat de twee Duitsers met pantservuist wel enigzins de vastberadenheid misten, die voor een goed gebruik van een dergelijk wapen nodig is, bleek wel uit de reactie, hoewel zeer menslijke, die bij de een viel te constateren. De eerste tanks waren op de Speelheuvelstraat gearriveerd, maar de commandant der colonne was niet zo gek, recht op het Duitse kanon af te rijden. Minder ervarenen in de krijgstactiek, - waartoe alle burgers behoorden, die op het gehoor en het weinig wat zij te zien konden krijgen afgingen, - vroegen zich af, waarom die tanks niet doorkwamen. De Engelsen wisten een betere weg en ze gingen van de Speelheuvel binnendoor naar Sluis XI. Op het Speelheuvelplein pikten ze een mannetje van de KP op die in een van de voorste tanks gezeten, een ideale wegwijzer was.
Een ordenans werd opgesteld op het Speelheuvekplein, dergelijke gelegenheids-verkeersagenten hadden de Engelsen steeds bij de hand, en dirigeerde al wat verder kwam dezelfde weg op, tot hij bericht kreeg dat ook de grote weg vrij was. Deze eenzame Engelsman, voor de Somerenaren de personificatie van het hele bevrijdingsleger, had een benauwd kwartiertje toen de weggekropen bewoners van die buurt de een na de ander voor de dag begonnen te komen. De man werd op de schouders genomen en toegejuicht, of het Montgomery zelf was. Zijn taak als verkeersagent kon hij enige tijd niet meer verrichten. Dan kon natuurlijk zo niet blijven duren en men werd ook wel weer verstandiger, toen er even daarna volop geschoten werd, want al wat naar Sluis XI reed, begon dichter bij de brug komend, te vuren.




DEEL 9-A

De schemering was inmiddels gevallen. Maar voor de soldaten was de dag nog niet teneinde, integendeel. Steeds meer tanks rolden de Schoolstraat in, om zich daarna over de akkers te verspreiden. Overal lieten zij diepe sporen na en voor geen hindernis stonden zij stil. Het werd een hels lawaai, want de tanks vuurden met hun kanonnen in een lustig concert in de richting Asten. Mensen die dit schouwspel vanaf een hoog gebouw hebben gadegeslagen, vertelden later dat het een fantastisch gezicht was. Tussen de granaten bevonden zich lichtkogels en lichtspoorminutie in diverse kleuren, zoals groen, geel en rood. De dapperepantservuistmannen op de Markt en de artilleristen hadden blijkbaar in de gaten gekregen, dat de Engelsen weinig belangstelling voor hen aan de dag legden zen zij waren toen ze daarvoor nog de gelegenheid hadden, dan ook ijlings naar Sluis XI verdwenen.
Toen de Engelsen al vurend de Schoolstraat introkken, werden ook enkele boerderijtjes getroffen. Als eerste ging in vlammen op de boerderij van Gerritsen aan het begin van de Schoolstraat. De tanks lieten zich echter door niet ophouden in hun actie. Zij stelden zich in een grote boog om Sluis XI op, noordelijk van de Kanaalstraat maar deden geen poging om de brug over te steken. Zij hadden blijkbaar geen enkele opdracht dan zo ver te gaan als ze deden en dan gebeurde dat ook niet. Ofschoon iedere leek toen en naderhand nog zei, dat ze eigenlijk zonder meer er gerust overheen hadden kunnen trekken. Dan zou Aste gespaard zijn gebleven voor het dubbele artilleriebombardement en zouden de verliezen niet zo groot zijn geweest. Want woensdagsnachts zat Asten heus niet vol Duitsers. Maar krijgskunde en strategie zijn dingen waarvan de leek geen kaas heeft gegeten. Dat blijkt onder andere uit het verloop van de strijd in de volgende paar dagen.
Of de Engelsen beslist eerst hun brug voor de Zuidwillemsvaart klaar wilden hebben, ofdat de aabvoer verder doortrekken niet veilig genoeg maakte, ik weet het niet. De tanks deden niets dan jun positie kiezen en vuren als zij dat nodig achten. Het nieuws van de komst der Engelsen in de kom verspreidde zich uiteraard snel over de hele gemeente. In Someren-Eind liep menook al spoedig met vlaggetjes, wat ook hier erg voorbarig en gevaarlijk was. Want nog dezelfde nacht, dus de 20ste op de 21ste, toen de inwoners meenden voor het eerst gerust te kunnen slapen, trokken nog 'n 500 Duitsers het dorp in. Zij waren zwaar gewapend en kwamen uit de richting Maarheeze. Langs de Nieuwendijk en de Einderstraat gingen zij naar Sluis XII. Ze deden minder luidruchtig dan de Engelse tanks en ook minder dan in hun gloerietijd, toen zij hun zware laarzen zo graag op de keien van de wegen en trottoirs lieten weerklinken. Nu had hun lopen meer van sluipen en ze letten goed op, steeds op de zachte bermen van de wegen te blijven. Daardoor kwam het, dat weinigen hen gehoord hadden. Gelukkig maar, want anders was de eerste zoet droom al weer door een onverwachte rauwe werkelijkheid verstoord geworden.
Maar wat was er aan de Astense zijde van het kanaal gebeurd? De bewoners van de huizen op Sluis XI hadden dinsdags deze moeten verlaten. Volgens de Duitsers werd het daar te gevaarlijk en bovendien zullen zij niet graag op de vingers gekeken zijn bij hun voorbereidingen voor de grote slag. Er lagen ongeveer 100 manschappen in de haastig opgeworpen veldstellingen, mitailleurnesten en verschansingen, gemaakt van deuren, beddegoed met zand en allerlei eigenaardig steunmateriaal meer. Op daartoe geeigende plaatsen hadden de Duitsers bovendien nog mijnen gelegd. Maar het was toch niet zo, of de Engelsen hadden hier toen gemakkelijk over kunnen komen.



DEEL 9-B


Alles ging hier niet zo gemotoriseerd als bij de Engelsen, want de Duitsers leenden zelfs een kruiwagen om hun minutie in de richting van de sluis te kunnen brengen. Het kanon dat de Duitsers in de Wilhelminastraat ter beschikking hadden, verwisselde nogal eens van plaats. Dan stond het bij Bakker dan weer naar het dorp. Toen er mee geschoten werd, bleek wel dat de Duitsers konden richten want de Somerense toren werd net bij de wijzerplaats getroffen. Waarschijnlijk werd de toren als uitkijkpost beschouwd. De Engelsen hadden het daar ook op gemunt, zolang de Duitsers in een plaats lagen. Dat bleek in Asten, Liessel en volgende plaatsen wel! Op Sluis X passeerde Woensdag 20 september nog een hele colonne Duitsers. Die waren van Lierop en trokken in de richting Asten, zonder zich bij de sluis op te houden. Ze vroegen naar Tommies maar de Astenaren konden hun helaas nog niet zeggen dat die er al waren. In de nacht duurde die aftocht voort. De troepen bestonden nagenoeg geheel uit infanterie.
Tegen de avond toen de Engelse tanks aan de overkant van het kanaal hun stellingen aan het innemen waren begonnen zenuwachtige Duitsers al met hun mitrailleurs te tetteren. Geen geruststellend geluid voor de bewoners van de Wilhelminastraat, Dijk, Nachtegaal, en Ostade. De mensen in het dorp kregen hun aandeel in de schrik, voorzover ze tenminste wisten wat er eigenlijk aan de hand was. Want de Engelse kanonnen begonnen hun voorbereidend vuur op Asten reeds in de avond van Woensdag en zetten dit gedurende de gehele nacht voort, hoewel er tussenpauzen van stilte waren. De uiteenspattende granaten klonken de mensen in de oren als kanonschoten en menigeen meende dat de Duitsers op de markt of zo met hun kanonnen aan het schieten waren. Onnozel als men was ging men voor het raam naar de ontploffingern staan luisteren en men kon de snorrende geluiden die men kort na elk schot hoorde niet thuis brengen. Later is men er wel achter gekomen, dat het rondsnorrende granaatscherven waren want wat men hoorde waren uiteenspattende Engelse granaten! Dat bleek de volgende morgen duidelijk genoeg, toen men de zware schade aan het priesterkoor van de kerk zag en in de kerk al een hele ravage was aangericht.
In de Kerkstraat was bovendien een woning, waarin de commandopost van de Duitsers was ondergebracht, goed geraakt. De ondergrondse had namelijk de ligging van die post kunnen doorgeven. Het gevolg van die prompte bediening was dat de commandopost naar de Wolfsberg werd overgeplaatst. Naar de woning van de commandant der O.D. wat de Duitsers uiteraard niet wisten, maar wel graag geweten zouden hebben. Schoten de Engelsen al op hun royale wijze, de Duitsers stelden hun kanonniers op rantsoen. Zoveel schoten mochten ze hoogstens per uur geven want de minutie was maar krap toegemeten.
Dat het kanon in de Wilhelminastraat na elke paar schoten met spoed verplaatst werd, geschiedde niet ten onrechte, want ook de Engelse schutters kenden hun vak. Nauwelijks was het stuk weg weer weg of enkele seconden later sloegen de granaten in op de plek of dichtbij de plek, waar het gestaan had. Helaas zou het niet bij dit voorbereidend schieten blijven. Donderdagavond zou het er nog anders naar toe gaan!



DEEL 10-A


Donderdag 21 september 1944 werd een bewogen dag voor de burgers van Asten. Het begon met de aanzegging aan de bewoners van de Wilhelminastraat, dat ze hun huizen moesten ontruimen. De Duitsers maakten zich namelijk bezorgd over de daar wonende mensen en zij achtten het beter, dat die veiliger oorden opzochten. De zorg voor de burgers nam nog toe, want omstreeks 12 uur in de middag kwam het bevel geheel Asten te evacueren, dat wil zeggen de gehele bebouwde kom.
Waar moesten al die mensen heen? Men wilde niet weten, want niemand liet zijn eigendommen graag onbeheerd achter en niemand wilde onnodig ver weg. Zo ver mogelijk weg zeiden de Duitsers, naar Vlierden, Liessel en Deurne of Meijel. In ieder geval niet op Astens grondgebied blijven. Om 2 uur moest alles ontruimd en om 4 uur moest iedereen vertrokken zijn.
Dir bevel gaf grote consternatie en over het algemeen sprak men af: "Wij blijven". Want wat zou er van huis en goederen overblijven? Men kon immers maar wat lijfgoed en eten meenemen. Als de rest niet gestolen zou worden, had men alle kans, dat het zou verbranden. In vliegende vaart werd bijeengezocht wat van waarde was of noodzakelijk meegenomen moest worden. De schuilkelders in de tuinen werden volgestopt met kleren en andere dingen, die men wilde bewaren en dan dichtgegooid. Wie geen schuilkelder had groef kuilen in de tuin en deponeerde daar in, wat hij meende op deze manier te kunnen redden. Mannen die zelden of nooit 'n schop in handen gehad hadden, stonden te zwoegen. Vrouwen toonden zich mans genoeg om te helpen. Intussen schoten de Engelsen nog op de kerktoren en na enkele scherpe klappen van de springende granaten, snorden de scherven over de huizen en tuinen. Ik was er getuige van, hoe een vrouw die een kuil stond te graven voor kisten met goederen, telkens weer uit de kuil sprong als er granaten kwamen om dan binnen te vluchten. Terwijl zij nergens veiliger kon zijn dan op haar hurken in de kuil! Er schuilde sosm ongewilde humor in de treurige situatie en gelukkig degenen, die op deze dag daarvoor nog oog hadden. Zij bewaarden daarvoor hun kalmte en verloren hun hoofd niet.
Het was anders treurig genoeg. Want het parool "wij blijven" was achter te blijven. De kelders vormden veilige schuilplaatsen. Al spoedig zag me zielige troepjes vertrekken: kruiwagens met kleren, kinderwagens, bolderwagentjes, karren, alles wat maar voor vervoer kon dienen werd ingeschakeld. De huishoudens met kleine kinderen trokken het eerste weg. Sommige scheiend, het een of ander meesjouwend. De moeders soms radeloos, anderen flink opgemonterd. Degenen, die teveel met zich mee wilden nemen, moessten al spoedig een gedeelte van hun bagage achterlaten. Zij hadden misrekend in hun kracht en uithoudingsvermogen. Had men medelijden met de kinderen en moeders: een brok schoot in je keel als je een oude man, de neus bijn aan de grond, een beladen kruiwagen zag duwen. Anderen sjokten, hun kinderen in de arm, langzaam uit de kom van het dorp weg. Een oud echtpaar, geen kind of kraai meer bezittend, schuifelde, elkaar in de arm, de weg naar Liessel op. Nu en dan stonden ze stil en keken terug op het dorp. Daar lag hun huisje. Onder de hoed van het Lieve Vrouwke en Sint Antonius.
Langzaam raakten de huizen leeg. Sommige lieten ze achter met alle deuren op slot. Anderen waren wijzer, want ze wisten wel, dat wie er in wilde, niet zou schromen in te breken als de deur niet open ging. Maar allemaal waren ze van plan toch niet ver te gaan. Men zou op de gehuchten blijven, bij de boeren die in de komende dagen hun huizen en schuren wel voor hen zouden openstellen. Want lang hoefde het immers niet te duren. De Engelsen zouden vlug hier zijn. Al geloofde men niet meer in een ongeschonden Asten bij zijn terugkomst. Tegen 5 uur leek het dorp een dodendorp......




DEEL 10-B


Er was niets te horen dan nu en dan het schieten van een kanon en het inslaan van een granaat. In de straten vertoonde zich niemand meer, behalve enkele leden van de EHBO, - voor deze gelegenheid gecompleteerd met mannen van de ondergrondse - die hun ronde deden, de helm op het hoofd. Duitsers waren er bijna geen te zien. Enkelen patroulleerden per fiets in de kom. Ze stapten nu en dan af om de huizen binnen te dringen. Was dat om te gappen? Of was het om te controleren of er nog burgers achtergebleven waren? Vonden ze iemand, dan werd die over het algemeen gedwongen nog te vertrekken. Anders zouden de mannen beschouwd worden als spionnen.
Toch slaagde menigeen er nog in ter bescherming van huis en goed, Duitsers en tegen de granaten.
Degenen, die in deze middag de zware gang van evacue's gingen raakten niet in hoopvoller stemming, toen zij op alle wegen naar Asten Duitsers ontmoeten. Aan de rand van de kom werden fietsen afgenomen en op hopen gezet. De moffen toonden hierbij tegenover niemand medelijden. En ter verhoging van de neerslachtigheid stelden vij nog eens vast, dat de Engelsen Asten zwaar zouden beschieten. Hun uitkijkpsten hadden de opstelling vande kanonnen gezien.
De mensen sukkelden weer verder. Daar zagen ze dan langs de weg infanterie, pantserwagens, stukken geschut, mitrailleurs, mannen met pantservuisten, geweren en handgranaten. Dat was niet het verslagen leger van enkele weken terug, maar een gediscipleerde macht. Men zag het wel: dit waren fanatieke Fuhrer-vereerders. Waren de Engelsen toch maar twee dagen eerder gekomen, dan hadden ze zonder slag of stoot tot Meijel en Deurne kunnen doorrijden. Waarom moest het no zo gaan, ten koste van Asten?
Het beroep op de gastvrijheid der boeren bleek niet tevergeefs, want waar anders slechts n huishouden woonde, daar kwamen nu honderd of meer mensen bijeen. Rond de boerderijen werden reusachtige schuilloopgraven gemaakt. Met het toenemen van het kanongebulder in de verte groeide ook de vrees der gevluchten en van dat uur af zochten zij een schuilplaats onder of in de grond. Toen ving het leed aan van de moeders met kinderen, de ouden van dagen en de zieken, die niet in de kelders van het Liefdesgesticht waren ondergebracht, maar die waren meegegaan met hun huisgenoten. Een zenuwachtige enkeling kon een hele groep de stuipen op het lijf jagen. Dan was er weer een rustig en kalmerend woord nodig om het onheil te herstellen.
Het is hier de plaats om een woord van hulde te schrijven voor onze boeren en boerinnen, die in zware dagen der bevrijding de roep over de Brabantse gastvrijheid gevestigd hebben. Zij hielpen wat ze konden, stelden huis en erf beschikbaar en slechts enkelingen onder hen waren er, die zich voor deze gastvrijheid lieten betalen. En "de ballade van de boer" werd onder onze ogfen tot werkelijkheid, toen wij zagen, dat meid en knecht of zoon en dochter naar de weide gingen om de koeien te melken, ook al spatten de granaten dichtbij uiteen of huilden ze over de schichtiger dieren heen en al floten de mitrailleurkogels ooit gevaarlijk dicht langs.




DEEL 11-A

Reeds woensdagavonds waren tussen Sluis X en Sluis XI Engelse verkenners over de Zuidwillemsvaart gekomen. Zij hadden zelfs twee Duitsers meegenomen. In de loop van donderdag werd hun activiteit groter en de Duitsers zullen daaruit niet ten onrechte geconcludeerd hebben dat een artilleriebombardement op komst was. Want aan de Zuid Westzijde van het kanaal op Somerens grondgebied, stonden eindeloze rijen tanks met hun geschutslopen in de richting Asten. Ook artillerie was er opgesteld, zowel aan de kant van Someren-Eind uit als in de richting Heeze. En nadat in de namiddag het kanonvuur intensiever begeleid was geworden door matrailleurgetetter, tengevolge waarvan reeds een aantal Duitsers gesneuveld was, begon om ongeveer 7 uur in de avond het zware bombardement van Asten.
Ruim 'n uur lang braakten die honderden vuurmonden een stroom van granaten uit. Een bombardement vanuit de lucht kan radicaal zijn, maar het laat een grote mate van onzekerheid over de trefpunten. Zo niet een artilleriebombardement. Men kan haast zeggen dat wiskundig zuiver 'n bepaald gebied kan worden geraakt. Het granaatvuur tast met zijn verschillende armen straat voor straat af en overal sticht het directe vernieling of brand. De mensen in de kelders zaten bevend en biddend van angst te luisteren naar dat helse concert, waarvan zij de resultaten en de verwoestende kracht nog niet kenden. Ze hoorden alleen de knallen der springende granaten, het gerinkel van ramen, z=vallende pannen en het gedonder van instortende schoorstenen od daken en muren. Op de gehuchten vroeg men zich moedeloos af, wat men nog van huis en goed zou vinden wanneer mens straks zou terugkeren: als men nog zou kunnen terugkeren.
Van rondom werd het Engelse kanonvuur door Duits geschut beantwoord. Maar als de Engelsen honderdmaal schoten, konden de Duitsers het maar een keer. Hun rantsoen was te klein. Zij deden als de boer, die een voor een zijn aardappels zet, terwijl de Engelsen hun granaten gooiden als een zaaier graankorrels. In de bossen van het wandelpark en daarachter: van Ommel, over de berken naar de Achterbosch: in de Staatsbossen met een boog tot Half Twaalf hadden de Duitsers hun stellingen gekozen. Overal lagen zij ingegraven.
Hun kanonnen, die telkens verplaatst werden, schoten zuinig terug. Nu en dan ratelde het mitrailleurvuur, dat ook telkens van andere punten kwam, want het was frappent hoe gauw het mitralleurvuur met enkele welgerichte granaten van de Engelsen beantwoord werd. De Duitsers hadden die tactiek natuurlijk gauw genoeg door. Hun schutters kozen telkens plekken, vanwaaruit ze snel op een beschuttende sloot of kuil konden terugtrekken. En dan kwamen ze pang, pang, pang. Waar zojuist het mondingsvuur van de mitralleur te zien was geweest, sloegen de granaten in. En nooit verder dan 10 meter uit de buurt. Keurig werk van de Engelse kanonniers. In de avond was het schouw- en hoorspel niet aangenamer geworden en de schuilloopgraven zaten stampvol mensen.
Het eigenlijke bombardement had ongeveer een uur geduurd en daarna bleef men zeer ongeregeld schieten. Toch gaven de Engelsen geen respijt, al luwde de beschieting ook.




DEEL 11-B

De Duitsers hadden enkele "Nebelwerfer" in de strijd geworpen, wapens, die iemand de ddoschrik op het lijf joegen, als men ze voor het eerst hoorde. Men wist niet wat er aan de hand was. De bange mensen in de loopgraven hoorden plotseling een vreselijk, loeiend gehuil en daarna werden zes granaten afgeschoten. Het monster, dat die granaten produceerde, hing achter een gemotoriseerde trekken en nauwelijks waren de schoten gelost, of het ding werd met 'n grote snelheid verplaatst. Dan kwam het vlotte en welsprekende antwoord van de Engelsen: een scheut granaten, die ruimer en langduriger gestrooid werden dan wanneer het om een mitrailleur ging. Maar de akelige loeiers werden blijkbaar nooit getroffen. De hele nacht door joegen zij de mensen de schrik op het lijf, vooral, omdat toen nog niemand wist wat er eigenlijk aan de hand was en wat voor wapen gebruikt werd.
Het was voor velen een opluchting, toen de morgen lichtte, want men meende, dat met de komst van het daglicht het gevaar wel zou verminderen.
In zekere zin was dit op sommige plaatsen ook het geval. Men kwam daar uit de schuilkelders, drentelde eens rond,totdat ploteseling over of langs fluitende kogels tot voorzichtigheid maanden.
De morgen was Vrijdag 22 september was D-dag voor Asten. De reveille werd geblazen met een tweede hevig en langdurig artilleriebombardement en toen de Tommies er blijkbaar van overtuigd waren, dat zij hun tegenstanders murw gebeukt hadden, kwamen zij over de brug.
Het is nog altijd een twistpunt, of zij het eerst over de gewone brug bij Sluis XI gekomen zijn, hoewel die beschadigs was, of dat zij over een tijdelijke brug kwamen, die zij ten Westen van de permanente brug zelf gelegd hadden. In ieder geval is zeker, dat drie pantserwagens met grote vaart in alle richtingen vurend door de Wilhelminastraat geraasd zijn, over de Markt naar richting Ommel. Het doel was de standplaats van enkele lastige Duitse kanonnen uitvissen en tevens een algemene indruk krijgen van de bezetting. Met even snelle vaart zijn de wagens weer over de toen nog niet vernielde brug naar Somerens gebied teruggereden. Zij ontkwamen aan de Duitsers, zoals later een der Engelse luitenants kon navertellen.
Spoedig daarop kwamen tanks en infanterie over het kanaal. De Engelsen hadden hun baileybrug reeds klaar liggen. We habben later gezien hoe ingenieus zulke dingen in elkaar werden gezet en hoe speciaal daarvoor gebouwde tanks die naar voren brachten. Geniemannen lieten de restanten van de opgeblazen brug in de lucht vliegen, de baileybrug kwam naar voren, werd gelegd en even later rolden de tanks erover. Intussen hadden de Engelse kanonnen een steunend spervuur gelegd, zodra hun geniesoldaten betrekkelijk veilig konden werken, al zijn er natuurlijk altijd slachtoffers gevallen.
De voorste tanks vuurden naar voren, naar links en rechts, zodat de Moffen, die over het kanaal bij de Aabrug in de veldstellingen zaten, onder zwaar vuur kwamen liggen. Tientallen van hen zijn toen gesneuveld, zoals later gebleken is. Jammer genoeg werden twee zware Engelse tanks door mijnen en pantservuisten vernietigd. Zij kantelden en werden zwaar beschadigd. Een brandde uit. Pas in het begin van 1948 is de laatste opgeruimd.
Toen dit versterkte punt eenmaal genomen was, bleek het slechts 'n kwestie van enkele uren om de gehele kom van het dorp te bezetten. De mitrailleurschutters van de Duitsers, waarvan sommigen in mangaten langs de weg lagen, werden meedogenloos door de tanks vermorzeld. Oorlog is oorlog, maar het kan er wreed aan toe gaan.
Om ongeveer half elf reden de tanks door de straten van het dorp, onder hun zware rupsbanden het puin van pannen en stenen tot pulver malend. De generaals hadden uitgemaakt, dat Asten vanmorgen genomen moest worden en het werd genomen. Niet eerder met minder geweld en minder vernieling, maar nu, Vrijdag 22 September 1944. Na een vernietigend bombardement.



DEEL 12-A

De kelderbewoners kwamen tevoorschijn om hun bevrijders te verwelkomen. Maar een uitbundige stemming heerste er niet. Daarvoor bleken degenen, die gebleven waren nog te zeer onder de indrik van hetgeen zij in de afgelopen nacht en morgen hadden meegemaakt. De aanblik der vernielingen die zij. buitenkomend overal om zich heen zagen, benam hun bovendien de lust tot uitbundig feestvertoon. Al was men natuurlijk blij. En men uitte die blijdschap ook en verkomde de Engelsen met veel woord en gebaar van vriendelijkheid en dank.En met diep halen trok men de rook van de goede sigaretten naar binnen.
Er was ook niet veel gelegenheid tot huldebetogingen en vreugdeuitingen. De Duitsers waren wel weg, doch niet hun granaten. Deze bleven voortdurende verrassingen, zij het onaangename en gevaarlijke. De zenuwachtige achterblijvers schrokken telkens als er weer schoten weerklonken, waarbij zij het onderscheid tussen weggaande en komende granaten nog niet kenden. De Engelsen, getraind in het herkennen van de geluiden, praatten geruststellend van "English fire" als hun eigen tankkanonnen vuurden. Waren er Duitse granaten in aantocht dan waarschuwde n zij "German fire" en zij duwden de burgers dan achter hun beschermende tanks, terwijl ze zelf hun helm opzetten en ook ineendoken. De oorlog was voor Asten nog niet voorbij en de veilige rust zou nog verscheidene dagen uitblijven.
Op het raadhuis ging de vlag uit en werd de Engelse commandant door de waarnemnd burgemeester verwelkomd. Deze, de heer WJ van Golstein Brouwers was in de buurt van de kom ondergedoken geweest. Nu kon hij zijn taak weer opnemen, een taak die uitermate zwaar zou blijken in de komende weken en die veel energie, beleid en uithoudingsvermogen zou eisen.
De verbindingsman tussen Engelsen en Ondergrondsen betrok zijn post. De strijd werd op Astens grondgebied voortgezet, met de waardevolle steun van de mannen, die het terrein uitstekend kenden en wie het niet moeilijk viel telkens door de linies te sluipen. Duitse stellingen te verkennen en de ligging daarvan door te geven. Wanneer men weet wat op deze en volgende dagen door de ondergrondsen is gepresteerd met voortdurend gevaar voor hun leven, dan kan men best velen, dat zij later hun band en geweer nog enige tijd droegen. Het kan zijn, dat er fouten gemaakt zijn en dat er wel eens een element onder geweest is, dat er niet thuishoorde, dit geeft de mannen, die tijdens het gevaar veilig wegkropen en die hulp weigerden, toen zoveel nodig hadden, echter niet het recht, smalend over "die bende" te spreken.
Deze eerste dag, Vrijdag 22 september dus, kwamen er al weer heel wat mensen terug, maar zij verdwenen ook weer spoedig. Want zij merkten gauw genoeg, dat het nog allesbehalve veilig was. Het Duitse vuur minderde namelijk niet. De stroom Engelsen bleef aanhouden. Zij kozen stellingen op daarvoor geschikte gronden en plaatsen langs wegen. Hun kanonnen mengden zich om beurten in het algemene schietconcert. De stellingen werden zo gekozen dat men enigzins gedakt was voor het vuur der Duitsers.
Bovendien werd op camouflage gelet. Op de hoeken van de straten werden mitralleurputten gegraven. Aan de rand van het bos eveneens. Men wilde verdacht zijn op de nacht, zodat men geen overval van Duitse sluipschutters of achtergebleven patroulles zou heven te vrezen.
De straten waren bedekt met puin van muren en dakpannen. Vele huizen stonden hol en leeg of lagen tot puinbergen ineengestort. Het leek een wonder, dat het vuur van de afgebrande huizen zich niet verder gevreten had. Er was immers geen brandweer uitgerukt. De mensen die weer gingen, of die alsnog gingen, bang voor een tweede hellenacht onder vuur van vijandelijke granaten, werden door de Tommie's geholpen. Ik tegenstelling met Mei 1940 en een dag geleden, kreeg men nu fietsen van soldaten!

Eerlijke mensen deden later direct moeite, om ze weer terug te bezorgen aan de rechtmatige eigenaars.

HIMMELS | NIJS | VRUUGER | SPSJAAL | VURHALEN | MUZZIEK | WEETJES | KULTUUR | ALLE FOTO'S HIMMELS | Sitemap


Submenu:


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu